| Korte geschiedenis van 1957 tot 1980 |
Terug
naar Geschiedenisoverzicht |
| Europese Economische Gemeenschap (EEG) |
In 1958, een jaar na het sluiten van de
Verdragen van Rome, trad de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in werking. De EEG
bestond uit de landen Italië, Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Nederland, Luxemburg
en België (zie ook geschiedenis 1944 tot 1957).
De eerste jaren van de EEG werden voor een groot deel beïnvloed door de Franse
premier Charles de Gaulle. Charles de Gaulle vond Europese samenwerking belangrijk,
maar tegelijkertijd vond hij dat de afzonderlijke landen zelf de soevereiniteit, het
hoogste gezag, moesten behouden.
![]() |
De Gaulle vond dat er geen Europees gezag moest komen die beslissingen over de landen van de Europese Economische Gemeenschap, en dus Frankrijk, kon nemen. Hij besefte wel dat Europese integratie nodig was om de ingestorte moraal, politiek en economie van Frankrijk aan te sterken. |
Verder wilde De Gaulle loskomen van het NAVO-verdrag
, omdat hij vond dat Amerika een te
dominante positie had ten opzichte van Europa. Frankrijk ging op een gegeven moment zelf
kernproeven ondernemen.
De visie van Charles de Gaulle op onder andere de Europese integratie wordt ook wel 'gaullisme' genoemd.
De Gaulle werd premier in 1958, toen het
leger van de Franse kolonie Algerije een staatsgreep had ondernomen. De Gaulle verklaarde
dat hij voor een onafhankelijk Algerije was. In Europa stond een grote meerderheid achter
deze aanpak, waardoor De Gaulle meer mogelijkheden kreeg voor zijn plannen met betrekking
tot Europa.
| Voorstel voor politieke Unie | Naar boven |
De Gaulle kwam met een voorstel om tot een politieke Unie te komen met de andere EEG-landen. De lidstaten moesten overigens wel onafhankelijk blijven van deze Unie. Om het proces naar een Unie sneller te laten lopen, stemden uiteindelijk vier landen in met het voorstel, maar Nederland weigerde.
Omdat het plan van De Gaulle niet door ging werd er een studiecommissie ingesteld,
onder leiding van Christian Fouchet. Fouchet zou zorgen voor nieuwe voorstellen.
| De plannen van Fouchet | Naar boven |
Het eerste Fouchetplan was het idee van een Unie van Staten, gericht op buitenlandse politiek, defensie, wetenschap en cultuur. De Unie zou geen besturend orgaan krijgen, dus de lidstaten zouden onafhankelijk blijven.
| Vijf landen
stemden in met dit plan, maar weer was Nederland tegen. Minister Luns bleef hameren op een
supranationaal |
Het tweede plan van Fouchet strandde ook, omdat Frankrijk
zich nog hardnekkiger opstelde in de onderhandelingen, door de NAVO niet meer in het plan
op te nemen.
| Samenwerking met Bondsrepubliek Duitsland |
Naar boven |
| Als antwoord op het mislukken van de Fouchet-plannen sloot
Frankrijk in 1963 een vriendschapsverdrag met Duitsland. Willy Brandt |
![]() |
Regelmatig hadden bondskanselier Adenauer
(DU) en staatshoofd De Gaulle (FR) overleg met elkaar en het Europese beleid van de twee
werd steeds op elkaar afgestemd. Deze afstemming bevorderde de Europese integratie.
| Frankrijk uit de NAVO | Naar boven |
Vanaf 1964 richtte De Gaulle zich meer op
zijn eigen land. Omdat zijn voorstellen voor een Europese defensiepolitiek niet haalbaar
waren, koos hij voor een zelfstandig Frankrijk. Hij trok Frankrijk terug uit de militaire
structuur van de NAVO. Frankrijk bleef wel lid, maar werd een stuk afstandelijker
tegenover de Amerikaanse leiding.
| Groot-Brittannië en de EEG | Naar boven |
Groot-Brittannië heeft altijd bijzonder kritisch tegenover een supranationaal bestuurd
Europa gestaan. Het geloofde niet in het slagen van de Europese Economische Gemeenschap en
zag genoeg mogelijkheden in de Europese Vrijhandelsassociatie, een vrijhandelszone
opgericht met de zes landen die later de EEG zouden vormen.
Midden jaren 50 nam de belangrijke handelspositie van Groot-Brittannië af. Er moest iets gedaan worden aan deze situatie. De vrijhandelszone bleek economisch een stuk minder krachtig dan de in 1958 opgerichte Europese Economische Gemeenschap. Ook de Amerikaanse president Kennedy probeerde de Britse regering te overtuigen dat Groot-Brittannië zich beter kon aansluiten bij de EEG.
| In augustus 1961 kwam het verzoek van Groot-Brittannië om toetreding bij de Europese Economische gemeenschap. Dit was precies tijdens de Fouchetbesprekingen. Nederland stelde het toetreden van Groot-Brittannië toen als voorwaarde voor instemming met de Fouchetplannen. |
Het lukte de landen van de Europees Economische Gemeenschap niet om overeenstemming met Groot-Brittannië te bereiken, dus voorlopig zou het nog niet toetreden. De Gaulle vond bovendien dat Groot-Brittannië te Amerikaans gericht was. Groot-Brittannië zou de NAVO versterken binnen de Europese onderhandelingen.
Omdat de Gaulle zich in een veto
uitsprak tegen Groot-Brittannië, en omdat de Fouchetplannen mislukt waren,
werd de crisis rond Europese samenwerking sterker.
| In 1965 kwamen er
vanuit de Europese Commissie |
Lege-stoelpolitiek Frankrijk
De Gaulle reageerde zeer negatief op de voorstellen en de Franse minister van
Buitenlandse Zaken vertrok uit de Ministerraad
. Dit viel de andere EEG-landen behoorlijk tegen. Het leek erop dat
Frankrijk tegen de Gemeenschappen (EEG, Euratom en EGKS) was. Men was bang dat Frankrijk
helemaal zou vertrekken.
Dankzij ontwikkelingen m.b.t. een landbouwbeleid van de Europese Economische
Gemeenschap keerde Frankrijk toch terug in de onderhandelingen. In 1966 vertrok Frankrijk
(zoals boven beschreven) wel uit de NAVO.
| Fusie van EGKS, EEG en Euratom | Naar boven |
Het ging goed met de economie in Europa na de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap. In dat jaar besloot men de drie Gemeenschappen, EGKS, EEG en Euratom onder één leiding te brengen. De verschillende Verdagen van de Gemeenschappen bleven hetzelfde. De leiding was nu één Commissie, die gevestigd was in Brussel. Bovendien werd vanaf nu de naam Europese Gemeenschap (EG) gebruikt.
| In 1967 werd er overeenstemming bereikt tussen de zes landen over de opzet van een gezamenlijke landbouwpolitiek. |
Ondertussen ging het slecht met de Britse economie en Groot-Brittannië was dan ook gedwongen om een tweede verzoek tot toetreden in de Europese Gemeenschap in te dienen. Maar de Gaulle weigerde weer resoluut. De Nederlandse minister Luns verzette zich op zijn beurt tegen alle besluiten die gunstig zouden uitpakken voor de Franse politieke of financieel-economische positie.
| Op 1 juli 1968 werden alle invoerrechten op industriële producten aan de
binnengrenzen van de EG-landen opgeheven. Verder kregen de EG-landen een gemeenschappelijk buitentarief |
| Aftreden van de Gaulle (FR) |
Naar boven |
De Gaulle
trad in 1969 af na een mislukt referendum
en Frankrijk werd soepeler ten opzichte van de Europese
samenwerking. Georges Pompidou werd de nieuwe Franse president.
Omdat de nieuwe Duitse bondskanselier Willy Brandt veel
bewondering kreeg van de Europese pers, vond Pompidou het prima als bijvoorbeeld
Groot-Brittannië toe zou treden tot de EG. Dat zou voor wat tegengewicht kunnen zorgen.
Pompidou verklaarde dan ook dat Groot-Brittannië wat Frankrijk betreft welkom was.
Belangrijke stappen
In december 1969 kwam de Europese top bijeen in Den Haag. Er kwam een definitieve financiële regeling die ervoor zorgde dat Europese Gemeenschap op supranationaal gebied op den duur meer zou gaan betekenen. Verder werden definitieve afspraken gemaakt over de landbouw, het Europees Parlement zou meer bevoegdheden krijgen en men zou gaan werken aan een Economische en Monetaire Unie. Ook zouden Groot-Brittannië en enkele andere landen binnen een redelijke termijn toe kunnen treden tot de EG. Bij het topoverleg ging het om de triptiek: voltooiing, uitbreiding en verdieping. We zullen de ontwikkelingen in de jaren 70 met betrekking tot deze drie onderdelen bespreken.
1. Voltooiing
Een Economische en Monetaire Unie (supranationaal) werd voorgesteld via het plan Barre. Er werd uiteindelijk negatief op gereageerd door veel lidstaten. De lidstaten wilden de macht over hun eigen munt niet uit handen geven.
Door de monetaire wereldcrisis in 1971 werd het te moeilijk om een Europees Monetaire
Unie te vormen, en daarom stopten de onderhandelingen over de EMU. De oliecrises in het
begin van de jaren 70 zorgde voor een wereldwijde recessie. De Europese integratie
verslechterde hierdoor. De landen van de EG gingen weer nationaler, dus meer aan hun eigen
land, denken.
| Europees Monetair Stelsel |
Naar boven |
| In 1978 werd besloten tot het oprichten van het Europees Monetair Stelsel (EMS). Dit intergouvernementele orgaan van de EG moest ervoor zorgen dat de waarde van de munten van de EG-landen beter op elkaar werden afgestemd. |
Hiervoor werd de Ecu als gemeenschappelijke munt ingevoerd, naast de bestaande munten. Voor een uitleg over de Ecu kun je kijken bij de tekst over de euro.
2. Verbreding
Terug naar 1970. Het was de bedoeling dat
Groot-Brittannië, Ierland, Denemarken en Noorwegen toe zouden treden tot de Europese
Gemeenschap. De onderhandelingen over Groot-Brittannië verliepen moeizaam, maar in 1973
kon Groot-Brittannië toe treden tot de EG. Dit kwam vooral omdat Edward Heath, de premier
van Groot-Brittannië, het in grote lijnen eens was met de Franse president Pompidou. Zij
vonden allebei dat de EG een Unie van Staten moest worden, dus zonder supranationaal gezag
.
Verder sloten ook Denemarken en Ierland zich. Het toetreden van Noorwegen lukte nog niet.
Voor Groot-Brittannië stond de Europese samenwerking niet op de eerste plaats. De relatie met de Verenigde Staten stond voorop. Dit zorgde tot ver in de jaren 80 voor moeizame onderhandelingen tussen de EG en Groot-Brittannië.
3. Verdieping
In de jaren 70 was het slecht
gesteld met de Europese integratie. Er waren echter ook ontwikkelingen die goed waren voor
de integratie. Zo deed het Hof van Justitie
in Luxemburg goed werk voor de Europese samenwerking en werd in de
EG een plan gestart om enkele derdewereldlanden te steunen. Verder vond in 1975 de Conferentie
voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, die onder andere de spanning
verminderde tussen Oost- en West-Europa. Een laatste belangrijke ontwikkeling: het Europees Parlement
werd nu gekozen door de bevolking van de lidstaten.