| Korte geschiedenis van 1944 tot 1957 |
Terug
naar Geschiedenisoverzicht |
![]() |
- de Marschallhulp - aankondiging Marschallplan - start Marschallhulp - de EGKS - periode van 1948 tot 1950 - periode van 1950 tot 1957 - landbouw - EEG basis van economische groei |
| Aankondiging Marshallplan - 5 juni 1947 | Naar boven |
Op deze datum maakt de minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, G. Marshall, zijn plan bekend. Hieruit bleek dat hij niet alleen landen met geld te hulp wilde schieten, maar ook politiek herstel naarstreefde. Om een sterker Europa te maken, moesten de regeringen meer gaan samenwerken op verschillende terreinen.
Economisch doel van de Marshallhulp| Het economische doel van het plan was om meer wereldhandel te krijgen en een beter geldverkeer tussen alle landen. Dit had dus voordelen voor Europa en zeker ook voor de Verenigde Staten zelf. |
| Start Marshallhulp - april 1948 |
Naar boven |
Na veel wensen en eisen van de verschillende landen kon in april 1948 eindelijk de hulp starten. Een belangrijke eis van de VS was dat Europa een eigen organisatie zou oprichten. Zo ontstond op 16 april 1948 de OEES. Dit staat voor: Organisatie voor Europese Economische Samenwerking.
Na het begin van de Marshallhulp werd er verder gedacht over een militaire samenwerking. Die komt er in april 1949 als de NAVO wordt opgericht. NAVO staat voor: Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (zie ook geschiedenis van 1958 tot 1980). Over de gevolgen van het Marshallplan werd verschillend gedacht. De één vond dat er weinig veranderd was in de politieke situatie van Europa en de ander vond dat er veel veranderd was. Hoe dan ook: Frankrijk en West-Duitsland zaten voor het eerst samen in een verbond.| Periode van 1948 tot 1950 | Naar boven |
| Vanuit Frankrijk kwamen steeds meer stemmen voor een Frans-Duitse verzoening om zo een beter Verenigd Europa te krijgen. De Verenigde Staten en Frankrijk stapten eind jaren veertig af van de pogingen om Groot-Brittannië nauw bij een Verenigd Europa te betrekken. De Engelsen hadden al een aantal keer ideeën van tafel geveegd. |
|
De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) |
Naar boven |
|
De Fransman Jean Monnet Naast Duitsland en Frankrijk konden andere landen zich aansluiten bij deze samenwerking om vrede in Europa te houden. Er werd later onderhandeld tussen: Frankrijk, West-Duitsland, Italië en de Benelux-landen. Het ging niet alleen om economische samenwerking (kolen en staal), maar ook om politieke samenwerking (angst voor nieuwe oorlog). |
Minister Robert Schuman |
Na de oprichting van de
Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) werd besloten om de Hoge Autoriteit te
vestigen in Luxemburg. Er konden nu op supranationaal niveau
beslissingen genomen worden. Onderwerpen waren onder andere: douanerechten, prijsbeleid in
de zware industrie (voorbeeld staal) etc. Andere economische onderwerpen werden nog per
land geregeld.
| Periode van 1950 tot 1957 | Naar boven |
Het begin van de jaren 50 stond in het teken van de atoombom van Amerika en later van de Sovjet-Unie en het communistische China. Leider van China was toen Mao. In 1950 brak ook de oorlog tussen Noord en Zuid-Korea uit. Omdat de Verenigde Staten betrokken was in de oorlog in Azië, moest Europa zelf iets ondernemen om zich eventueel te verzetten tegen de Sovjet-Unie. Churchill (EN) deed een oproep in de Raad van Europa om een Europees leger te vormen.
Monnet (FR) kwam met een nieuw initiatief voor de vorming van een Europees leger in West-Europa. Hij kende de Franse president Pleven en die geloofde in dit nieuwe idee.| Op 24 oktober 1950 presenteerde hij het plan van één Europees leger met daarin ook West-Duitsland. Later werd dit het Plevenplan genoemd. Het doel van Frankrijk was dat West-Duitsland geen eigen leger meer zou krijgen. Kritiek op het plan was er ook. Militairen vonden dat een Europees leger pas als laatste van een Europese samenwerking moest ontstaan. |
In 1951 werd het Plevenplan besproken op een conferentie in Parijs. De reacties waren niet erg positief. Monnet moest anderen weer overtuigen van het plan. Hij vertelde de Amerikaanse president Truman dat Frankrijk hiermee controle kreeg over de veiligheid in Europa. Verder had het voor Duitsland als voordeel dat zij dezelfde rechten in Europa zouden krijgen.
27 juni 1952 wordt de Europese Defensie Gemeenschap (EDG) opgericht. Zes landen deden hieraan mee. Frankrijk, West-Duitsland, België, Luxemburg, Nederland en Italië. Op papier leek het een stap in de goede richting, maar in de praktijk bleek dit niet het geval te zijn. De EDG kreeg geen supranationaal gezag| Vanaf 1952 komt Nederland met een idee om meer economische samenwerking tot stand te brengen binnen Europa. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Jan Willem Beyen wilde een gemeenschappelijke markt. Hier waren wel voorstanders voor. Op enkele punten werd het vorige Verdrag aangepast, maar weer kwam er weinig uit voort. |
Door allerlei ontwikkelingen lukte het niet met de EDG. Dit kwam vooral door het overlijden van Stalin (Sovjet-Unie) waardoor het gevaar vanuit dit grote land wat geweken leek te zijn. Ook de oorlog in Korea kwam tot een eind. Allemaal redenen waardoor een sterk Europees leger niet meer zo nodig leek. In 1954 werd de Europese Defensie Gemeenschap afgekeurd in de Franse politiek.
Totaal onverwacht slaagde Groot-Brittannië erin om nog wat te redden. De West-Europese Unie (WEU) werd opgericht. De WEU moest het defensiebeleid redden. Maar het werd weer een organisatie met weinig gezag. Deze organisatie bestaat overigens nog steeds.Op de conferentie in Messina werd dit voorstel door de Zes (dit zijn de zes landen) besproken. De Belgische minister Spaak werkte nieuwe ideeën uit in een rapport. Daaruit bleek dat
integratieFrankrijk en Duitsland kwamen in deze tijd steeds meer op
één lijn te liggen. Dit kwam onder andere doordat Duitsland eindelijk het Saargebied van Frankrijk terugkreeg.| Op 25 maart 1957 werd het Verdrag van Rome getekend. Op 1 januari 1958 kon toen Euratom en de Europese Economische Gemeenschap (EEG) van start gaan. Dit Verdrag was opgesteld door een comité onder leiding van de Belgische minister Spaak. Het was vooral een Verdrag met doelen die later uitgewerkt werden. |
In het Verdrag werd vastgelegd dat er een
douane-unie
zou komen naar het
idee van de Nederlandse minister Beyen. De douane-unie kwam er in 1968.
De EEG kreeg een aparte Commissie die voorstellen kon doen en beleid kon controleren. De Ministerraad kreeg de mogelijkheid om te beslissen over de voorstellen van de Commissie. De Ministerraad was dus weer erg nationaal gericht en niet supranationaal. De Commissie krijgt later meer invloed. Het Europees Parlement had in het begin weinig bevoegdheden
. Pas vanaf begin jaren '80 en '90 zijn de bevoegdheden van het parlement sterk toegenomen. Het Europese Hof van Justitie kreeg wel meer mogelijkheden voor de EEG, Euratom en de EGKS.| Landbouw | Naar boven |
Economische samenwerking kwam er vooral
op het gebied van de landbouw. Na het ontstaan van een douane-unie zou er begonnen worden
met de landbouwsamenwerking. Landbouw was in die tijd een belangrijke sector. In heel
West-Europa werkte 20 % van de mensen in de landbouwsector. Het was vooral voor Frankrijk
erg belangrijk om binnen de buitenlandse markten te komen. Zij waren sterk in de landbouw.
Er kwamen later dan ook vaste prijzen in alle landen van de EEG. Door een hoge prijs die
vast kwam te staan, waren de boeren zeker van een inkomen. De samenwerking op dit terrein
was een succes. De landbouwsector kwam dichter bij de industrie te liggen dan vroeger. Er
kon veel meer geproduceerd worden, maar het nadeel was dat kleine boeren verdwenen door schaalvergroting
.
Voor meer recente informatie over de landbouw in Europa, kijk bij: De
EU - Beleid van de EU - Landbouw.
| EEG basis van economische groei | Naar boven |
De Europese Economische Gemeenschap was de basis van een groeiende economie in Europa. Door de oprichting van deze gemeenschap kwamen de landen dichter bij elkaar. West-Duitsland kreeg een plaats in West-Europa.